Kop

De 15 belangrijkste dingen voor een goed opgevoede pup

1.De baas moet leren dat hij de moeite waard moet zijn voor de puppy om    mee samen te werken. Het hulpmiddel dat hij gebruikt moet de puppy heel leuk en/of plezierig vinden, wat de baas ervan vindt is veel minder belangrijk.

2.De baas moet leren wat voor enorme invloed zijn gebarentaal en zijn lichaamshouding hebben op de puppy. Hij kan ermee sturen, gedrag uitlokken en beïnvloeden.

3.De baas moet leren dat als de puppy zijn gebarentaal wel volgt maar dit eigenlijk niet is wat de baas eigenlijk bedoelde, de puppy toch zijn beloning verdient en de baas dus iets anders moet doen. Niet de puppy.

4.De baas moet leren dat als hij zijn hand beweegt, de puppy zal volgen en dat als hij zijn hand stil houdt, de puppy vrijwel direct overgaat tot nadenken. En dan dat iedere beweging weer leidt tot volgen (al is het maar met zijn hoofd).

5.De baas moet leren dat in het begin de puppy niets anders leert dan achter het snoepje aangaan en dat dit helemaal niet erg is. De baas moet leren hoe hij het achter het snoepje aangaan over kan laten gaan in het echte aanleren van een oefening.

6.De baas moet leren hoe hij bij zijn puppy een oefening verder kan opbouwen, handgebaren kan afbouwen (als hij dat wil) een stemcommando’s kan invoeren en de beloning kan afbouwen zodat de hond voor het contact kan kiezen in plaats van de beloning.

7.De baas moet leren dat hij met zijn stem, zijn houding en zijn gebaren vaak een combinatie aan signalen afgeeft waarbij de puppy soms anderen signalen belangrijker vindt dan dat de baas bedoelt of doorheeft. Dit is niet de schuld van de puppy, de baas moet zorgvuldiger zijn en zich bewuster worden van die mix aan signalen die hij afgeeft.

8.De baas moet leren dat er op deze manier eigenlijk niets fout kan gaan en dat al het gedrag te verklaren is en dat de puppy het in de allermeeste gevallen gewoon goed doet en de baas mag dus leren de dingen anders aan te pakken en er ook zelf over na te denken.

9.De baas moet leren dat een hond erg gefocust is op lichaams- en gebarentaal en nog geen Nederlands spreekt of welke andere taal dan ook en dat zelfs alle hondentaal niet is aangeboren.

10.De baas moet leren dat als de baas die taal gebruikt de hond soms net het averechtse leert. Als de baas laag zegt op het moment dat de hond opspringt kan de hond leren dat het woordje laag betekent dat hij moet opspringen. Als de baas los zegt als de hond net iets vast heeft de puppy leert dat het woordje los betekent dat hij iets moet vasthouden.


11.De baas moet leren dat hij compromissen zal moeten sluiten. De puppy zal dat ook moeten, het is zoals bij iedere vorm van samenleven een kwestie van geven en nemen. Belangrijk hierbij is dat de puppy gewoon de gelegenheid kan krijgen binnen grenzen wel hond te zijn.

12.De baas moet leren dat als de situatie anders is, de puppy anders kan reageren. Dit kan zijn als er meer afleiding is maar ook als de context waarin de oefening gedaan wordt verandert.

13.De baas moet leren dat hij heel erg voorzichtig en eigenlijk heel terughoudend moet zijn met het corrigeren van de puppy. Ook met zijn stem.

14.De baas moet leren dat hij geduld moet hebben en zich moet leren beheersen en de puppy de tijd moet geven na te denken om zelf tot een oplossing te komen.

15.De baas moet leren welke en wat voor signalen de puppy allemaal afgeeft en wat deze          kunnen betekenen. Pas dan kan hij er wat effectiefs mee doen.

De baas op deze manier de tijd moet nemen om zijn eigen puppy te leren kennen, hij heeft geen standaard pup. Hij heeft zijn eigen puppy en die is uniek. Dit geeft de puppy ook de tijd om hem te leren kennen en dit biedt de mogelijkheid om zo tot een geweldige manier van samenwerken te komen die kan leiden tot een geweldige tijd samen met respect voor elkaars mens-zijn en hond-zijn.

De baas kan nu zijn opgedane kennis en vaardigheden inzetten om de puppy op te voeden tot die hond die hij er zelf van verwacht.


 

Beschrijving